Blog Archives

Tag Archives: mama

De Zwevende Kiezer

Vanochtend vroeg, vijf over zeven

Verscheen er plots een grote lach

Want, voor ’t eerst in heel mijn leven,

Vertoonde ik plots stemgedrag

Zoiets was mij nog nóóit gelukt

Al jaren stond ik buitenspel

Ik ging er zwaar onder gebukt

Want mijn medelander kon het wél

Die switchte links, of rechts, en vreesde

Voor een politieke stormwind mee

En de paren, ja, de meeste

Vertoonden stemgedrag voor twee

Jaloers was ik. Jaloers en bokkig

Het deed mij toch zo’n groot verdriet

‘Zo gezéllig,’ dacht ik wrokkig

Hóllandser kon bijna niet

Maar nu ben ik écht in de wolken

Het is gelukt, ik mág, ik mág!

Ik mag gedachtegoed vertolken

En dát doe ik met stemgedrag

Wat fijn om zo, na al die jaren

na zoveel onrust in mijn leven

Het gevoel toch ervaren

En als kiezer rond te zwéven

Frieland

Ik sta bij het duin.

Mijn gezicht is op het zand gericht. Op het wuivende helmgras. Achter me is de zee. Ik hoor geritsel. Het gekrijs van een meeuw. Een kinderstem. “Mamma, vang je me?!” Ben ik dat? Of is het Lizzy?

Ik twijfel. Is het werkelijk dertig jaar geleden dat ik hier stond? Drie jaar oud en met de wereld aan mijn voeten. Niet bang maar opgewonden. Een gele tuinbroek. Twee staartjes aan de top.

De ontmoeting met het eiland is als het weerzien met een oude vriend. Een stille, betrouwbare vriend. Eén die ik véél te lang niet heb gezien. Ik praat in gedachten. “Je bent niet veranderd,” zeg ik. “Je bent hooguit meer jezelf geworden.”

Ik kijk omhoog naar de top van het duin. Of kijk ik nou juist naar beneden? Het perspectief wisselt. Als in een film van Tarantino. Lizzy roept. “Mamma, vang me!” Haar stem komt van boven. Dan zal ik dus wel beneden staan.

“Leuk is het hier hè?” zucht ik. We zitten samen in het zand. “Nou,” knikt Lizzy. “Zo zie je nog eens wat van de wereld.” De wind brengt gegrinnik. Komt het van mij, of van mijn oude vriend? Lizzy haalt een paar schelpen uit haar zak. “Mooi hè?” zegt ze.

Het afscheid is onstuimig. Golven gooien met schuim, de wind slaat tegen de bootramen. Ik ben vergeten dat mijn oude vriend ook zo zijn buien heeft. Vanachter het raam zwaai ik naar de mensen op de kade. Naar mijn vriend. De vriend die altijd blijft

Ik kijk tot ik nog maar een heel klein streepje zie. Dan pas zeg ik dag.

Dag oude vriend. Dag Eiland in de Verte.

Vormvrij

En vandaag wil ik het eens van júllie horen.

Wat gaan jullie doen vandaag? En morgen? En vannacht? Wat mij betreft zijn de rollen even omgedraaid. Terwijl ík druk ben met de knutsels voor vanavond, mogen jullie schrijven.

Wat houdt je bezig. Wat ga je doen. Waarom.

Druk druk druk!

Zo zeg, dat was me het dagje wel.

Rond tien uur kwam ik binnenvliegen op mijn werk. Vrijwel direct werd ik weer opgepiept door het thuisfront. Er zat een meneer bij ons thuis die de computer zou komen reanimeren. Echter die meneer kon geen wijs worden uit het lijstje dat Paul voor hem had klaargelegd. Het wachtwoord was niet goed. “Dan moet je Paul even bellen, zijn nummer heeft hij opgeschreven.” “Maar er wordt niet opgenomen,” zei de meneer. Aldus was ik een half uur later weer onderweg naar huis.

Na dit computerdebacle haastte ik me weer naar kantoor. Een kleine vergadering later spurtte ik weer weg. Afspraak bij de fysiotherapeut. Dit vanwege hardnekkige rug- en nekklachten. Die was ik voor de verandering maar eens serieus was gaan nemen toen ik onlangs ’s nachts wakker werd met half tintelende, half gevoelloze handen. Aan het einde van de middag, ik was weer terug op mijn plek, constateerde ik dat het me nooit zou lukken mijn werk af te krijgen. Aangezien dit (deels) de schuld van Paul was, belde ik hem dat hij voor straf eerder thuis moest komen. Ik zou ’s avonds doorwerken.

Half acht was ik thuis. Net op tijd voor de beloofde verhaaltjes aan de kinderen. En om ze een nachtkus te geven. En nog een. En nog ééntje dan. Smak, smak, smakkerdesmak. Ik verlangde naar de douche. De fysiosessie van die middag had aardig wat spierpijn opgeleverd. Ik had dringend behoefte aan warm stromend water. Daarna moest ik nog een column schrijven. Rond tien uur was alles klaar. Ik wilde net op de bank duiken toen een vriendin zich meldde via MSN.

“Hoe was het bij de fysiotherapeut?” vroeg ze.
“Hij was ernstigs ontstemd over de mate waarin ik mijn lichaam overbelastte,” schreef ik.

“Wat raar,” mailde ze terug.

Waar is Esther?

In de kelder.

Jullie zaten er niet zo ver naast. Er was (is) inderdaad 'iets' met de laptop. Vrijdagochtend werkte alles nog, ’s avonds was het hommeles. Er leek van alles in huis te pulseren en de computer zat muurvast. Zelfs de meest fatale commando’s hielpen niet meer. Wat een stroomuitvallertje al niet teweeg kan brengen.

En niet alleen de computer gaf problemen. Alle elektronische klokken knipperden. En aangezien Paul die apparaten altijd voor zijn rekening neemt, bléven ze ook knipperen. Mijn digitale wekker was onlangs kapot gevallen en de wandklok had, waarschijnlijk in gevolge een bizar soort klokkensolidariteit, de geest gegeven. Ineens was het héél stil in Huize Vuysters. Stil en tijdloos.

Sinds vanmorgen is Paul weer thuis. De klokken zijn weer gemaakt, gereset en/of anderzijds gerepareerd. Ook de kinderen huppelen inmiddels weer rond. Het is niet meer stil en niet meer tijdloos. Althans, bóven de grond. Niet waar ik me bevind. Niet in de kelder. Daar is het nog steeds stil en tijdloos.

Want de laptop is nog steeds in staking. Inmiddels is het Paul gelukt een internetverbinding op onze oude computer in de kelder te activeren. En dus ben ik weer terug waar ik óóit mijn dagboek begon. Na twee dagen bovengrondse radiostilte opereer ik ondergronds. Vanuit de bunkerachtige bescherming van mijn – verstofte én tijdloze - kelder.

Ik voel me net een illegale zendpiraat. Best wel stoer.

Nanna

Er is iets veranderd.

Annabel heeft, met haar zestien maanden, iets vastgesteld. ‘Die blonde’, die altijd in de buurt is, heet ‘Nanna’. En die ‘Nanna’ raapt haar niet alleen op als ze valt, die is ook de ‘baas’ over iets heel belangrijks in huis. Het Eten.

Stelde de kleine kaai zich een tijdje geleden nog tevreden met een halve Nanna (delen met grote zus), sinds ze mijn ‘naam’ kent is alles anders. Het is Nanna, de héle Nanna niets anders dan de Nanna. Zodra Lizzy in mijn buurt komt, zet Annabel haar stekels op. “Nanna, nanna!” gilt ze, terwijl ze komt aangehobbeld. Als ze aan mijn rok hangt, krijgt Lizzy een douw. Haar armpjes steekt ze dramatisch in de lucht. Nanna! Nanna! Eten, eten! “Wegwezen jij!” seint ze naar haar zus.

Lizzy ziet het met lede ogen aan. Ze mag niet terugduwen. Ze mag niet slaan. Honderd keer wordt haar verteld dat ze lief moet zijn voor haar zusje. Maar wat als het zusje niet lief is voor háár. En waarom gaat het zusje altijd krijsen als ze haar zin niet krijgt? Wat moet ze hier nou mee? Délen is tot daar aan toe. Maar dit?!

"Het is een fase," zegt Paul tegen Lizzy. Ik zucht.