Blog Archives

Tag Archives: groen

In de contramine

Annabel is momenteel net een papagaai.

Alles wat Lizzy zegt, alles wat Lizzy doet, alles wordt gekopieerd. En soms vindt Lizzy dat best leuk. Zoals tijdens het avondeten. Als zíj dan met haar hoofd gaat schudden, en Annabel schudt mee, dan is dat lachen. Vooral als laatstgenoemde nét een volle lepel in haar mond heeft.

Maar meestal vindt Lizzy het níet leuk. Bijvoorbeeld als ze gewoon even alleen wil spelen. Of als ze net een mooie blokkentoren heeft gebouwd. Dan is het helemaal niet fijn, zo'n geluierde pappagaai in de buurt. Stap-stap-stap en wég is de toren. Dan is zo’n zusje maar stom. En dat zal Lizzy laten merken ook.

“Mamma, ik vind mijn zusje níet meer leuk,” zei ze laatst. “Ze schreeuwt, ze stinkt en ze gooit alles om.” Toegeven, scherpe analyse. “Lieverd, toen jij klein was, was je precíes zo,” kwetterde ik vrolijk. “ En als Annabel straks nog wat groter is, dan kunnen jullie heel leuk samen spelen.”

“Hm,” gromde Lizzy. Duidelijk nog steeds in de contramine.

“Hm. Ik geloof niet dat ik zin heb om dáárop te wachten, mamma.”

Het vrijgezellenfeest

“Wegens wegwerkzaamheden is de verbindingweg A1 / A10 afgesloten.”

Wát?! Verbindingsweg A1 afgesloten?! Fuck, fuck, fuck. Daar moet ik lángs! En als ik daar niet langs kan, dan weet ik het niet meer. Help?! Iemand?!

“Ik kan niet bij de afslag komen,” hijg ik in de telefoon, “wat moet ik doen?” Mijn broer zucht. “Dan moet je om Amsterdam héén, Es.” Nogmaals fuck. Voor iemand die al gaat hyperventileren als ze een bord ‘eenrichtingsverkeer’ ziet, is dit vrij heftig.

Met dank aan mijn broer bereik ik uiteindelijk mijn bestemming. Gelukkig. Ik ben er. “Koffie opdrinken en wegwezen, meiden.” wordt er geroepen. “Parkeren in Amsterdam-Noord. Dan de tweehonderddrieën- dertig en de tweeëntwintig.” Amsterdam-Nóórd? Tweehonderddrieën- dertig? Dit gaat vást niet over een lange rij bij de slager. “Hé, ik kom uit de Provincie,” gil ik boven iedereen uit, “ik wil iemand in mijn auto die de weg kent!” P. knikt instemmend. Zij was niet voor niets een half uur te laat.

Helaas blijken de minst ervaren chauffeurs (P. en ik) degenen met auto te zijn. Ik laat mijn schoonzus rijden, -jouw feestje, Babe, jíj wil trouwen-, en P. rijdt zelf, maar onder begeleiding. “Nu moeten we wel héél goed opletten,” fluister ik tegen P. als we later in de bus zitten, “als we die groep nu kwijtraken, vinden we onze wagentjes nóóit meer terug.” “Ja,” knikt P. “Dan lopen we morgen nóg kriskras door Amsterdam op zoek naar twee groene peugeotjes!”

De bus brengt ons naar de Hamman. Van daaruit lopen we naar een restaurant. Het is gezellig, maar ik zit niet helemaal ontspannen. Wat nou als ik straks die parkeerplaats écht niet meer kan vinden. Of als ik vannacht wéér helemaal om Amsterdam heen wordt geleid. En Heel Erg Verdwaal?! In de auto ben ik echt een held op sokken. En dat rijdt behoorlijk kut; op sokken.

Na het diner belanden we in een club. (P. bij de entree: “De pot komt eraan. Zíj is de pot.”) Een wijntje en een relaxte sfeer helpen om te ontspannen. We kletsen, dansen en chillen. Ik ben de terugtocht net een beetje aan het vergeten als P. rond half twee roept: “Kom, we gaan onze auto’s zoeken.”

De eerste bus rijdt niet meer. De tweede (nachtbus) missen we. De derde laten we voor wat ie is en nemen een taxi. Gelukkig. Al onze wieltjes (en zelfs de wieldopjes!) staan er nog. Snel nog wat gesmak van dag-en-dag, tot over drie weken, en wég scheur ik. Ik wil naar húis, naar húis. Maar hoe? Een dominostraat aan omleidingborden grijnst me toe. Pijltjes wijzen alle kanten op.

Ik volg maar gewoon een paar willekeurige aanwijzingen. ‘Doorgaand verkeer’ klinkt goed. En ja. Ik zit op de snelweg. Alleen zijn alle lijnen op de weg veranderd. En er is niemand om achteraan te rijden. Ik snap geen zak van dit labyrint. Een paar keer bots ik bijna op een tijdelijke vluchtheuvel. Het feit dat mijn lenzen plakken en er mist opkomt, helpt niet mee. Uiteindelijk ben ik rond half drie thuis. Stijf van de stress lig ik in bed.

Overal zie ik witte en gele lijnen.

Schoonzus, je was 't waard.
Maar ik doe dit nóóit meer!