Blog Archives

Tag Archives: dierproefvrij

In de contramine

Annabel is momenteel net een papagaai.

Alles wat Lizzy zegt, alles wat Lizzy doet, alles wordt gekopieerd. En soms vindt Lizzy dat best leuk. Zoals tijdens het avondeten. Als zíj dan met haar hoofd gaat schudden, en Annabel schudt mee, dan is dat lachen. Vooral als laatstgenoemde nét een volle lepel in haar mond heeft.

Maar meestal vindt Lizzy het níet leuk. Bijvoorbeeld als ze gewoon even alleen wil spelen. Of als ze net een mooie blokkentoren heeft gebouwd. Dan is het helemaal niet fijn, zo'n geluierde pappagaai in de buurt. Stap-stap-stap en wég is de toren. Dan is zo’n zusje maar stom. En dat zal Lizzy laten merken ook.

“Mamma, ik vind mijn zusje níet meer leuk,” zei ze laatst. “Ze schreeuwt, ze stinkt en ze gooit alles om.” Toegeven, scherpe analyse. “Lieverd, toen jij klein was, was je precíes zo,” kwetterde ik vrolijk. “ En als Annabel straks nog wat groter is, dan kunnen jullie heel leuk samen spelen.”

“Hm,” gromde Lizzy. Duidelijk nog steeds in de contramine.

“Hm. Ik geloof niet dat ik zin heb om dáárop te wachten, mamma.”

Vacuum

Voor de derde keer ga ik er voor zitten.

Maar weer komt er niets. Is er niets. Alle gewone dingen, die vaak zo bijzonder zijn, blijven hangen in het alledaagse. Ik heb geen inspiratie, ik heb niets om over te schrijven. Ja, dat ik moe ben. Anders moe. Vermoeider dan anders. Alsof ik watten in mijn hoofd heb, alsof ik een winterslaap wil houden. Maar wie zit daar nou op te wachten.

Toen ik zo-even terugkwam uit het zwembad, zag ik de brommer van mijn hulp staan. Ik dank God op mijn blote knieën voor haar, want ík krijg het momenteel al Spaans benauwd als ik een wasmand zie. Sterker nog, ik ging net de vaatwasser uitruimen en ben halverwege gestopt.

Annabel ligt lekker te slapen, Lizzy speelt schooltje op de bank. Wat heb ik nou eigenlijk helemaal te klagen? Zou het de na- moeheid van het eerste (baby) jaar zijn? Of een soort verdrietje om de sombere augustusmaand? Het voelt in ieder geval heel raar, alsof ik ineens een andere rol speel, in een grimmig decor.

“We gaan fietsen naar de stad,” roep ik naar Lizzy. Lichaamsbeweging is goed. Het is best lekker weer, misschien waait de wind de muizenissen uit mijn hoofd.

De fietser fietst verbeten voort
De herfst zit hem al op de hielen
Het najaar haalt de zomer in
Waait zijn gedachten door de wielen