Trends

Pluk de dag!

Mijn anti-Plop-beleid werpt vruchten af.

In huize Vuysters heerst een nieuwe held. Pluk van de Flettepet. De meisjes zitten, sinds de komst van het jongetje met het rode kraanwagentje, stévig aan de buis gekluisterd. (Om de één of andere vage reden ligt Bel steeds in een deuk om de Stampertjes. Mogelijk vanwege (de herkenning van) het kapsel.)

De nieuwe film levert overigens wel een boel nieuwe vragen op. (Veelal ’s nachts, helaas.) “Mamma, waaróm heeft Aagje nooit een broek aan?” “Mamma, hebben wij hier ook een Krullevaar?” “Is een heen-en-weerwolf eng?” “Mag ik ook hasselbraamthee?”

Eén ding is zeker. Pluk is een blijvertje. En zolang Lizzy het houdt bij het citeren van hele lappen tekst (- Waar gaan wij naar toe? - Naar het torenkamertje. - Naar het torenkamertje? En wat gaan wij daar doen? - Daar woon ik. - Daar woon ik?) vind ik het best. Als er maar geen kakkerlakken opduiken in de keukenkastjes.

Wat mij betreft mag Pluk trouwens wel op de lijst van cultureel erfgoed. Geweldig, al die jaren zeventig elementen (een winkeltje met een échte kassa, de bloemetjesschort van Mevrouw Helderder). Wisten jullie trouwens dat Erica Terpstra, Arjen Ederveen én Erik van Muiswinkel in de film te zien zijn? En last but not least, de stem van de Zaza de Kakkerlak. Die lijkt wel héél erg op…

Inderdaad.

Het is vást geen toeval dat Zaza nou juist (in het gootsteenkastje van) het torenkamertje zit.

Hachee o nee!

Gisteren had ik een bokkenpruikje op.

Iemand merkte het al subtiel op; ik was duidelijk met het verkeerde been uit gestapt. In alle vroegte uitglijden over een naaktslak. Om vervolgens in een spinnenweb verstrikt te raken (héé een doorzichtige burka); je wordt er niet blij van. Dan is de herfst opeens behoorlijk kut.

Ik heb de hele dag gemopperd. Koffie smaakte niet zus, een telefoniste liep te zeuren zo, het werd maar niet beter. Gelukkig werkte ik met M. Kon ik tenminste mijn ei kwijt. Rond een uur of zes ging ik naar huis. Ik had gierende honger. Eerst even lekker eten en dán op de bank.

Ik rook het al toen ik binnenkwam. Rode kool met hachee. Nee hè? Echt, ik wil niet klagen hoor. Ik vind het super dat mijn moeder oppast en dat ze twee keer per week voor ons kookt. En ik weet dat ik een ontzéttend verwend nest ben, als ik daarover klaag. Maar laten we eerlijk zijn. Er zíjn grenzen.

“Hé gatver mam, hachéé!” riep ik, terwijl de deur achter me dichtviel. Ik haalde mijn neus op. “Ik lúst geen hachee!” Mijn moeder keek me aan met een blik die me onmiddellijk twintig jaar terugworp in de tijd.

“Ach kind,” zei ze. “Je weet niet wat je mist.”

Ouwe lulle!

Af en toe moet je er gewoon eens even helemaal uit.

Dansen en sjansen. Dronken en pronken. Hoeren en sloeren. Afijn, je ken het wel. Gewoon even flink van de ketting. De kroeg in.

Enige probleem in de gemiddelde kroeg is de gemiddelde leeftijd. Die ligt al snel een jaar of vijftien lager dan leuk is. Een drankje, een paar minuten in situ, en je voelt je als een bejaarde op schoolreisje. Een gerimpeld appeltje tussen de abrikoosjes. En dat hoert en sloert níet lekker.

Vriendin C. kwam met een goed alternatief. De Ouwe Lulle Disco. “Een soort schoolfeest maar dan met kraaienpootjes!” omschreef ze. We belden wat vriendinnen, groeven door een paar jaar kleding, en daar gingen we. Geplooirokt en al, op naar het feest.

Het was er snoeiheet. (Door het feest liep ik saunadate mis, achteraf gezien was er weinig verschil. Even los van de kleding dan.) Een foute zanger schreeuwde in een opzichtige microfoon. Madonna, Luv en Melissa Etheridge passeerden de revue. Heerlijk die eighties. “Alles kraakt hier,” zei ik toen ik het gammele toilethok betrad. “Dat krijg je met dertig-plus,” merkte iemand gevat op.

Al snel werd ik geteisterd door een verschroeiende dorst. Relight my fire, Brand new day, Drancing Queen. Ach, iedereen van vóór 1975 zingt ze zó mee. De rosé was niet aan te slepen. Once upon a time, there was a tabbern. Ik danste en danste. Ik danste terug in de tijd.

De muziek denderde nog lang door. Ik kon er zelfs niet van slapen. Onder het dekbed zweette ik de hitte van de disco eruit. De volgende ochtend, ik moest nog werken ook, voel ik me brak, muf en vooral gesloopt. “Alles doet pijn,” mopperde ik vermoeid tegen Paul.

“Het heet niet voor niets Ouwe Lulle Disco,” reageerde hij droog.

Murphy

Voor me rijdt een ontzéttende tante Sjaan.

In een pruttelend kippenhok, handen op tien voor twee, trút ze over de weg. Met slechts dertig kilometer per uur. Bij elke flitspaal (en er staan er véél) remt ze voor de zekerheid nog even extra af. Ik raak haar pas kwijt op het parkeerterrein van het ziekenhuis.

Bij de balie moet ik wachten op een bejaarde man. Hij is naar het ziekenhuis gekomen met niets meer dan zichzelf. Bij gebrek aan beter herhaalt hij nu alle laatste woorden van de baliemedewerkster. “Legitimatie?” “Verzekering?” “Huisarts?” Zijn lichaamstaal vormt één groot vraagteken. Een kwartier later laten ze hem maar gaan. Met een blanco ponsplaatje.

Op de afdeling zélf moet ik weer wachten. Een buitenlands meisje (volgens mij iets Oost-Europees, maar kan ook Chinees zijn) probeert iets uit te leggen. Ze doet dit in een soort Esperanto dat werkelijk níemand begrijpt. Zij zelf ook niet. Tenslotte wijst ze maar op haar buik en zegt: “baby”, waarna iemand haar meeneemt naar de afdeling echo’s.

Gelukkig is de arts waar ik moet zijn (nu al) flink uitgelopen. Zuchtend roept hij me binnen waarna hij vermoeid in zijn stoel ploft. “Niet normaal meer, al die idioten vanochtend,” zegt hij. Hij rommelt wat met zijn papieren en zet het raam open. Vertel mij wat, denk ik vermoeid, vertel mij wat.

Stelling van de dag:

Het aantal idioten onderweg is recht evenredig aan het belang van de afspraak.

Eens of oneens?

Na regen komt zonneschijn

De zomers 1999 (Paul ontmoet) en 2003 (Lizzy hield na zes maanden eindelijk op met krijsen) staan al jarenlang in mijn Top 3.

De derde plaats is altijd een twijfelgevalletje gebleven. 1991; voor de eerste keer met vriendin samen op vakantie, 1994; de grote reis door Israël en Egypte, of toch 1996; de eindeloze Single ‘Swing’ Summer.

Maar nu is er de zomer van 2006. Een snelle stijger. Met stip binnengekomen in de Top 3. Een hittegolf in juni, een prachtige vakantie in Frankrijk, en een julimaand die zich met recht de warmste maand óóit mag noemen. Het zonnetje schijnt. Niet alleen in de lucht, maar ook in mij.

Vaak, als ik ’s avonds met een drankje in de tuin zit, denk ik terug aan vorig jaar. Zwanger toen het broeierig warm was, bevallen midden in een hittegolf. Daarna rondlopen met een lijf dat overduidelijk gebaard had en, last but not least, zwaar labiel onder de invloed van de horrormonen. Niet mijn beste zomer.

Ik neem een slokje van mijn cappuccino en kijk naar de blauwe lucht. “Hitte teistert Nederland” koppen de kranten. Téistert nog wel! Dat was nou niet het woord dat ik in gedachten had. Maar goed, ik heb dan ook makkelijk praten in mijn kantoor met airco. En met mijn abonnement op het openluchtzwembad. Ik weet niet wat het is om urenlang in een snoeihete auto te zitten.

Maar één ding weet ik wel. Vanaf morgen wordt het minder warm. En weet je wat dan het mooie is? Dat we afkoeling extra zullen waarderen. Met de zweetdruppels van de lange hittegolf nog op onze rug, zullen we extra genieten van de frisse briesjes en de regenbuitjes. Het is allemaal onderdeel van een groter geheel, moet je maar denken.

Want soms is er een nou eenmaal een dalletje voor nodig om te zien hoe mooi het op de top is.

Mijlpaal III

Eigenlijk heb ik dat natuurlijk weer helemaal niet handig verzonnen!

En daar kom ik nu mee. Nu, op het moment dat we nog slechts enkele hits van de Mijlpaal verwijderd zijn. Want ik kan natuurlijk op mijn klompen aanvoelen dat dat moment ergens ergens tussen vannacht en morgen in de loop van de ochtend gaat vallen.

Maar dan ben ik helemaal niet thuis!

Kortom. Een niet doordachte prijsvraag met echte niet-doordachte Esther-regels. Maar wel leuk, want de prijs is nog steeds leuk en ik ben nog steeds razendbenieuwd.

Nog even geduld dus, en wie de 100.000e het eerst spot, maak er even snel melding van. Wie 'm 't eerst 'vangt' krijgt de troostprijs!

Dat is toch niet te vreten?!

Eerst was het pannekoek.

Toen werd het pannenkoek.

Nu wordt het weer pannekoek.

Genootschap Onze Taal komt binnenkort met 'Het Witte Boekje' en dan mag het allebei.

Blij dat ik uiteindelijk toch voor geschiedenis heb gekozen in plaats van Nederlands.

In tegenstelling tot bij taal is het bij geschiedenis namelijk gewoon een kwestie van herhalen. Bovendien verandert de geschiedenis niet. Wel zo rustig.

En verder lust ik trouwens tóch geen pannenkoeken. Met of zonder 'n'.

Buurtwacht.

"Mámma!"
"Ja?"
"Kom onmiddellijk binnen!"
"Waarom?"
"Je loopt op je sókken."
"En?"
"Dat mág niet, mamma!"
"O. Van wie niet dan?"
"Van de politie!"

Nina II

Een mooi symbolisch cadeau voor Annabel, hadden we bedacht.

Nina zou uitvliegen. Op Annabel haar eerste verjaardag. Via de tuintafel zou ze naar de schommel fladderen. Om vervolgens een duik te nemen richting de hoge naaldboom. Ze at inmiddels zelf, haar ouders hielden haar in de gaten. Alles zou goed komen.

Even leek het er nog op dat het allemaal niet zo makkelijk zou gaan. “Misschien is ze een ‘kruiper’,” aldus de jongen van de dierenwinkel, “dan zal ze nooit kunnen vliegen.” Gezellig natuurlijk, maar niet helemaal de bedoeling. “Eén ‘kruiper’ in ons huis is genoeg,” aldus Paul.

Gelukkig bleek Nina gewoon een vlieger. En al snel begon te haar vleugels uit te slaan. Naar de stoel en terug. Naar de tafel. Maar echt ver ging ze niet. Sterker nog, toen we dit weekend een stukje gingen wandelen, ging Nina gewoon mee. Paul zette haar op zijn hoofd en daar bleef ze zitten.

Pappa en mamma Ekster hielden ondertussen om beurten de wacht. Wanneer wij in de buurt waren, gingen ze tekeer als zich schorschreeuwende marktkooplui. Nina keek wel, maar ging niet. Dus zette we haar gisteravond zélf maar in de boom. Daar bleef ze zitten. Ze hipte van de ene naar de andere tak.

Maar vanmorgen zat ze er weer in. Gewoon in haar eigen, door ons gefabriceerde, hutje. Ze kraste een soort ‘lang zal ze leven’. “Nina is terug!” schreeuwde Lizzy. “Die, die!” gilde Annabel.

Hoe moet dat nou straks, als we op vakantie gaan?