Mama zijn

Kruidenknudde

Dat geloof je niet!

Heb ik, speciaal om vanavond Janneke’s Pangasiusfilet met peterselietopping te gaan maken, een verse peterselieplant gekocht.

Vragen ze; “wat voor bloemen zijn dat?”. (Weet je ook meteen hoe vaak ik verse kruiden in huis heb.) Afijn, dus ik uitleggen. Dat is een eetbare plant, dat noem je kruiden. Dat kan je door het eten doen. Nou, dat was wat zeg. Of ze mochten proeven. "Natuurlijk," zeg ik. Ik geef ze een klein stukje peterselie. Daarna ga ik naar boven om de bedden te verschonen.

Kom ik even later weer beneden. Wat denk je?

Heeft dat tuig mijn hele peterselieplant kaalgevreten!

De Zwevende Kiezer

Vanochtend vroeg, vijf over zeven

Verscheen er plots een grote lach

Want, voor ’t eerst in heel mijn leven,

Vertoonde ik plots stemgedrag

Zoiets was mij nog nóóit gelukt

Al jaren stond ik buitenspel

Ik ging er zwaar onder gebukt

Want mijn medelander kon het wél

Die switchte links, of rechts, en vreesde

Voor een politieke stormwind mee

En de paren, ja, de meeste

Vertoonden stemgedrag voor twee

Jaloers was ik. Jaloers en bokkig

Het deed mij toch zo’n groot verdriet

‘Zo gezéllig,’ dacht ik wrokkig

Hóllandser kon bijna niet

Maar nu ben ik écht in de wolken

Het is gelukt, ik mág, ik mág!

Ik mag gedachtegoed vertolken

En dát doe ik met stemgedrag

Wat fijn om zo, na al die jaren

na zoveel onrust in mijn leven

Het gevoel toch ervaren

En als kiezer rond te zwéven

Frieland

Ik sta bij het duin.

Mijn gezicht is op het zand gericht. Op het wuivende helmgras. Achter me is de zee. Ik hoor geritsel. Het gekrijs van een meeuw. Een kinderstem. “Mamma, vang je me?!” Ben ik dat? Of is het Lizzy?

Ik twijfel. Is het werkelijk dertig jaar geleden dat ik hier stond? Drie jaar oud en met de wereld aan mijn voeten. Niet bang maar opgewonden. Een gele tuinbroek. Twee staartjes aan de top.

De ontmoeting met het eiland is als het weerzien met een oude vriend. Een stille, betrouwbare vriend. Eén die ik véél te lang niet heb gezien. Ik praat in gedachten. “Je bent niet veranderd,” zeg ik. “Je bent hooguit meer jezelf geworden.”

Ik kijk omhoog naar de top van het duin. Of kijk ik nou juist naar beneden? Het perspectief wisselt. Als in een film van Tarantino. Lizzy roept. “Mamma, vang me!” Haar stem komt van boven. Dan zal ik dus wel beneden staan.

“Leuk is het hier hè?” zucht ik. We zitten samen in het zand. “Nou,” knikt Lizzy. “Zo zie je nog eens wat van de wereld.” De wind brengt gegrinnik. Komt het van mij, of van mijn oude vriend? Lizzy haalt een paar schelpen uit haar zak. “Mooi hè?” zegt ze.

Het afscheid is onstuimig. Golven gooien met schuim, de wind slaat tegen de bootramen. Ik ben vergeten dat mijn oude vriend ook zo zijn buien heeft. Vanachter het raam zwaai ik naar de mensen op de kade. Naar mijn vriend. De vriend die altijd blijft

Ik kijk tot ik nog maar een heel klein streepje zie. Dan pas zeg ik dag.

Dag oude vriend. Dag Eiland in de Verte.

Aan de bedelstaf

Sint Maarten, Sint Maarten, de koeien hebben stáárten.

Het zal ongetwijfeld niet de bedoeling zijn geweest, maar ik heb in een deuk gelegen gisteravond.

Lizzy en Annabelletje hadden, heel schattig, twee chaperonnetjes. Het ene chaperonnetje struikelde echter al na twee meter over zijn lampionnetje. Het lampje brandde nog, maar verder was het huilen. Zijn grote broer nam het gehavende exemplaar over. Helaas struikelde het kleintje vlak daarna wéér. En zo ging de optocht verder met twéé gehandicapte lampionnen.

Én met een kapot lampje. Annabelletje had het hare als een soort vliegenmepper op een kat gebruikt. De kat bleek wel tegen de klappen bestand, het lampje niet. Ook Lizzy kwam er niet zonder kleerscheuren vanaf. Al struikelend betrad ze de tuinpaadjes. Niet dat haar lichtje zo onhandig was. Nee, het was haar jurk. (Ze had besloten in haar prinsessenjurk ten strijde te trekken). Lizzy was waarschijnlijk de enige die het st. Maartenlied een aantal keer horizontaal ten gehore bracht. (Dat leverde overigens vaak wel extra lekkers op).

Annabel gedroeg zich verder goed. Alleen weigerde ze te lopen. Tenminste, tótdat ‘de mand met lekkers’ tevoorschijn kwam. Kreeg ze díe in 't oog, dan vloog ze naar de voordeur als afgeschoten door een katapult. “Etah, etah” riep ze, terwijl ze iedereen opzij duwde. Gelukkig voor haar zus haakte Annabel al snel af. En daarna was ook het jongste vriendje ‘moe’. Lizzy en haar chaperon gingen nog even door. Als twee kleine misdienaartjes stonden ze hand in hand te zingen. Onschuldige koppies, engelachtige lachjes. Hun schattigheid zorgde al snel voor volle tassen.

“Hoe ging het?” vroeg Paul toen we bepakt en bezakt thuiskwamen.
“Als ik ooit aan de bedelstaf geraak, dan weet ík wel wie ik meeneem,” antwoordde ik.

Vormvrij

En vandaag wil ik het eens van júllie horen.

Wat gaan jullie doen vandaag? En morgen? En vannacht? Wat mij betreft zijn de rollen even omgedraaid. Terwijl ík druk ben met de knutsels voor vanavond, mogen jullie schrijven.

Wat houdt je bezig. Wat ga je doen. Waarom.

Druk druk druk!

Zo zeg, dat was me het dagje wel.

Rond tien uur kwam ik binnenvliegen op mijn werk. Vrijwel direct werd ik weer opgepiept door het thuisfront. Er zat een meneer bij ons thuis die de computer zou komen reanimeren. Echter die meneer kon geen wijs worden uit het lijstje dat Paul voor hem had klaargelegd. Het wachtwoord was niet goed. “Dan moet je Paul even bellen, zijn nummer heeft hij opgeschreven.” “Maar er wordt niet opgenomen,” zei de meneer. Aldus was ik een half uur later weer onderweg naar huis.

Na dit computerdebacle haastte ik me weer naar kantoor. Een kleine vergadering later spurtte ik weer weg. Afspraak bij de fysiotherapeut. Dit vanwege hardnekkige rug- en nekklachten. Die was ik voor de verandering maar eens serieus was gaan nemen toen ik onlangs ’s nachts wakker werd met half tintelende, half gevoelloze handen. Aan het einde van de middag, ik was weer terug op mijn plek, constateerde ik dat het me nooit zou lukken mijn werk af te krijgen. Aangezien dit (deels) de schuld van Paul was, belde ik hem dat hij voor straf eerder thuis moest komen. Ik zou ’s avonds doorwerken.

Half acht was ik thuis. Net op tijd voor de beloofde verhaaltjes aan de kinderen. En om ze een nachtkus te geven. En nog een. En nog ééntje dan. Smak, smak, smakkerdesmak. Ik verlangde naar de douche. De fysiosessie van die middag had aardig wat spierpijn opgeleverd. Ik had dringend behoefte aan warm stromend water. Daarna moest ik nog een column schrijven. Rond tien uur was alles klaar. Ik wilde net op de bank duiken toen een vriendin zich meldde via MSN.

“Hoe was het bij de fysiotherapeut?” vroeg ze.
“Hij was ernstigs ontstemd over de mate waarin ik mijn lichaam overbelastte,” schreef ik.

“Wat raar,” mailde ze terug.

Hoera het is maandag!

Ken je dat gevoel?

Dat gevoel dat je nog maar één zenuw hebt. En dat die kinderen dan precies dáárop zitten te werken. Als je dat kent, dan weet je precies hoe Paul en ik ons het hele weekend gevoeld hebben.

“Ik wil een vakantiedag,” kreunde ik zondagochtend vroeg. Annabelletje lag op mijn borst zwaar verkouden te wezen. Lizzy speelde kussentjeverwissel. Om beurten ontvingen we een goed gerichte trap. Ze mopperde dat Annabel naar haar eigen bed moest. Omdat ze teveel ruimte in nam.(?) En omdat ze de hele tijd in haar luier plaste.(??)

Soms is het gewoon níet leuk om kinderen te hebben. Bijvoorbeeld als ze de hele tijd ruzie maken met het vriendinnetje dat ‘gezellig’ komt spelen. Of als ze een pompoen- en pastinaakgevecht houden met de ovenschotel waarop jij zo je best hebt gedaan. Dan ontstaat een soort kindercrisis die het idee ‘achter het behang plakken’ flink overstijgt.

Geen superweekend dus. Ik was dan ook blij toen de kletsen zondagavond naar bed gingen. Lizzy mopperde nog wat na over van alles en nog wat. Annabelletje weigerde haar tanden te poetsen. “Nog een half uurtje,” fluisterde Paul.

Ik stond net op het punt om (weer) kwaad te worden toen Lizzy opeens hard begon te lachen. “Kijk,” riep ze. “Annabel zit op de poppenstep!” En inderdaad. Met haar benen om het piepkleine stepje gevouwen, keek Polletje Piekhaar triomfantelijk om zich heen.

Paul en ik keken elkaar aan. “Nu niet lachen,” seinden we naar elkaar. “Rije rije rije,” zong Annabelletje. We lachten.

To bel or not to bel

Gewoon op straat

“Shííít.”
“Wat is er?”
“Mijn mobiel!”
“Wat is met je mobiel? Kwijt?”
“Nee. Erger. Ik heb hem thuis laten liggen.”
“O. Hoezo is dat erger?”
“Dan kan mijn moeder hem opnemen.”