5 oktober 2017

De/ het plafon(d)

Laatst moest ik één van de kinderen overhoren.

Woorden als coëfficiënt, existentiële, venijnige en baaierd kwamen voorbij. Er werd gezucht. En gesteund. Wat een moeilijke taal is dat Nederlands toch.

Ik ben het daar mee eens.
Maar niet om vanwege de 'moeilijke woorden'.

Ik vind onze taal soms vooral ingewikkeld vanwege de onduidelijkheid. Daar kan ik echt niet tegen. Zo raak ik altijd in de war van de de zout/het zout-discussie (kom op, maak een keuze!), de frikadel/frikandel (mag nu beide, in tegenstelling tot pannenkoek/pannekoek, alleen het eerste is correct) en de allerergste: plafon/plafond. Daarbij hangt me altijd een ingewikkelde keuze boven het hoofd. En ik wil niet kiezen of ik het woord met of zonder d schrijf, ik wil gewoon dat daar een regel voor is.

Keuzestress

Door dat plafon/d ging ik zelfs twijfelen of het nou 'de' of 'het' plafon/d was, dat krijg je met van die woorden, keuzestress. Ik moest het zelfs uiteindelijk opzoeken in het woordenboek omdat ik het niet meer wist.

Het is 'het' plafon/d. Maar tegen de tijd dat ik dat had vastgesteld, was ik al tot de conclusie gekomen dat plafon/d eigenlijk in z'n geheel een raar woord is. Met of zonder d.